Plastic panda’s

De natuur verdwijnt. Soorten sterven uit en iedere tien seconden wordt een stuk regenwoud ter grootte van een voetbalveld gekapt. Dat voelt als een ramp, maar is het dat ook? Kan een wereld met slechts parken en landbouw bestaan? En zou het er plezierig zijn?

Plastic Panda’s is een zoektocht naar de waarde van de natuur en haar verscheidenheid. Een realistisch maar ook optimistisch boek. Er verdwijnt van alles, er komt ook wat voor terug: gras tussen de stoeptegels en plastic speelgoedpanda’s.

Eerste Pagina

Toen ik een jaar of zeven was kreeg ik een grote poster van het Wereld Natuur Fonds voor op mijn kamer. Het was een soort van wereldkaart met daarop een verzameling dieren die met uitsterven werden bedreigd. Er stond een grote wisent op, ergens in Oost-Europa. En een vingerdiertje – of de aye-aye – dat in Madagaskar leeft. Een vreemd aapachtig beestje, met aan iedere voorpoot één hele lange vinger die zo lang en dun was dat hij ieder moment leek te kunnen breken. De zwarte neushoorn, de Siberische tijger, de bekende reuzenpanda. Ze stonden er allemaal op.

‘Zouden deze dieren echt op het punt staan om uit te sterven,’ mijmerde ik regelmatig terwijl ik de poster bestudeerde. ‘Maar dat zou toch afschuwelijk zijn. Een ramp. Een criminele daad van de mensheid.’ Het leek me dat het uitsterven van de wisent of het vingerdiertje erger was dan het sterven van mijn opa, die met kanker in het ziekenhuis lag toen ik zeven was, al had ik nog nooit wisenten of vingerdiertjes gezien, behalve op die poster in mijn kamer.

Nu, jaren later, heb ik die heftige reactie niet meer zo. Misschien ben ik afgestompt en gewend geraakt aan ellende, maar misschien ook ben ik verstandiger geworden. Op zijn minst heb ik over het verdwijnen van plant- en diersoorten en de teloorgang van de natuur meer nagedacht dan toen ik zeven was, en ik ben ervan overtuigd dat ik mede dankzij mijn rationele overpeinzingen niet meer in enen denk: ‘wat vreselijk,’ wanneer een of ander plantje of beestje uitgestorven raakt.

Ik dub. Aan de ene kant voel ik een grote betrokkenheid bij de natuur. Hetzelfde type betrokkenheid dat ik voelde toen ik zeven was en naar die poster tuurde. Ik voel dat vooral wanneer ik in het regenwoud ben – ik ben daar een paar keer geweest. ‘Dit is echt fantastisch,’ denk ik dan. ‘Zoveel verschillende planten en zo dicht opeen. En iedere drie seconden verdwijnt er van dit wonder een oppervlak ter grootte van een voetbalveld. Twintig voetbalvelden per minuut! Dat is een ramp.’ Aan de andere kant heb ik ook twijfels over de grootte van die eventuele aanstaande ramp. Ik twijfel hoe erg het écht is dat al die natuur, planten en dieren verdwijnen.

Andere boeken