Het aquarium van Walter Huijsmans

We maken ons zorgen over de toekomst. Over natuur en milieu. Is Nederland straks misschien onder water gelopen? Toch zijn onze zorgen een beetje raadselachtig: wijzelf zijn er straks immers niet meer.

Het Aquarium van Walter Huijsmans was het essay in het kader van de Maand van de Filosofie in 2009 en is een zoektocht naar de mogelijke antwoorden op twee vragen. Eén: waarom maken we ons druk over de verre toekomst van na onze dood? En twee: hoe erg is een toekomst zonder natuur? De antwoorden op deze vragen lijken vanzelfsprekend. Maar dat zijn ze niet.

Eerste Pagina

Dit essay is een probeersel, zoals essays letterlijk be- doeld zijn. Een poging. Een poging om antwoord te krijgen op een aantal vragen waarmee ik wor- stel. Vragen die te maken hebben met de toekomst.

Eén zo’n vraag is hoe het kan dat wij ons zo’n zorgen maken over de toekomst. De verre toekomst bedoel ik dan. Die zorgen máken we ons. We maken ons zorgen over het milieu. Niet alleen het milieu van nu of over twintig jaar, maar ook dat van over een jaar of honderd. Misschien dat Nederland tegen die tijd wel onder water begint te lopen. We maken ons ook zorgen over het voortbestaan van soor- ten. Zullen er over honderd jaar nog tijgers zijn? Of olifanten en de akkerboterbloem? Zullen het tropisch regenwoud en de koraalriffen voor de kust van Australië nog bestaan? En we maken ons zorgen over het leefmilieu van mensen. Over vervuiling en de energievoorziening – we verbruiken ener- gie op zo’n manier dat die op een gegeven moment op gaat raken. En wat dan? Wat moeten die arme mensen van de toekomst dan?

Niet iedereen schijnt zich zorgen te maken over de toe- komst: ‘We maken ons die zorgen juist helemaal niet: we leven erop los. In onze grote energieverslindende en mi- lieuvervuilende auto’s.’ Toch is de toekomst op z’n minst een groot thema voor een boel mensen. En terecht. Ik be- doel: het zal heus zo zijn dat de wereld in onze ogen een puinhoop wordt als we doorgaan zoals nu. Aan de andere kant vraag ik me af hoe het kan dat we ons zo’n zorgen over de toekomst maken: wij zullen er immers zelf tegen die tijd niet meer zijn. Het is voor mij een beetje een raadsel hoe het kan dat mensen zich zorgen maken over iets waar ze zelf niks van zullen merken.

Zo aardig vind ik ons verder niet. Ik ben ook niet zo aardig: als niemand kijkt gooi ik wel eens rommel op straat, ik geef maar weinig aan ontwikkelingshulp en soms rij ik asociaal lang langs een file. Mijn bovenburen zijn ook niet aardig – om maar een willekeurig stel anderen te noemen. Ze maken een boel herrie, ook ’s nachts. Als ik ze daarop aanspreek, kijken ze me meewarig aan en halen ze hun schouders op. ‘Wat heb ik met jou te maken man,’ lijken ze te denken. En dan komen m’n bovenburen en ik elkaar nog tegen, terwijl we de mensen van de toekomst nooit zullen ontmoeten. Die leven ruim honderd jaar ver weg. Hoe kan het dan dat we toch rekening houden met die mensen van de toekomst? Of op z’n minst vinden dat we dat moeten doen?

Andere boeken