Simca
Toen ik in de jaren zeventig op de lagere school zat hadden m’n ouders een Simca (een automerk, voor de mensen die het niet weten). Dat lag in die tijd voor de hand: bijna alle ouders hadden een Simca. Van de Simca zijn er tot 1985 meer dan vijfmiljoen gebouwd. Ooit was Simca een machtig merk. Tegenwoordig niet meer. Je komt bijna nooit meer een Simca tegen. Ik heb geen idee wat er met die vijfmiljoen gebeurd is, maar één ding is zeker: de Simca is praktisch uitgestorven.
Net zoals het reuzenhert, de Megaloceros, en de Smilodon. Uit de BBC-serie “Walking with Beasts” die de NRCV tegenwoordig uitzendt. Over de ontwikkeling van de dieren vanaf zo’n 65 miljoen jaar geleden tot aan het heden. Een soort van educatieve Jurassic Park, met prachtige animaties.
Kijkend naar Walking with Beasts, bekruipt me een weemoedig gevoel van medelijden: arme beesten, die aan de lopende band uitsterven. Verleden week de Smilodon: de sabeltandtijger. Een paar honderdduizend jaar geleden met z’n geweldige tanden de machtige heerser op de Amerikaanse steppen, en slechts zo’n tienduizend jaar terug van de aardbodem verdwenen. Zielig hè, voor de Smilodon.
Maar waarom eigenlijk? Vanwaar dat medelijden? Is het zielig voor Smilodons dat de Smilodons uitgestorven zijn? Ik geloof eigenlijk van niet. Ik denk niet dat de laatste Smilodon ermee gezeten heeft dat hij of zij de laatste was. Aan de andere kant geloof ik ook niet dat deze laatste der Smilodons een prettig leven heeft gehad: dat uitsterven had vermoedelijk wel één of andere reden. Chronisch voedselgebrek, of zo. En bovendien heeft ‘t arme beest veel moeite gehad om een partner te vinden… Maar de laatste Smilodon zal niks gemerkt hebben van het uitsterven van zijn soort. Of er honderd kilometer verderop nog een aller-allerlaatste Smilodon rondgelopen heeft – of een hele roedel – zal hem werkelijk om het even geweest zijn.
Smilodons maakt het geen zier uit wanneer hun soort uitsterft. En korenwolven en reuzenpanda’s evenmin. Maar ons maakt ‘t wel uit. Getuige het medelijden dat mij overvalt, en gezien de moeite die we ons getroosten om de reuzenpandasoort in stand te houden, of de laatste korenwolf in Nederland. De vraag rijst hoe het komt dat wij ons zo druk maken over het uitsterven van diersoorten – de dieren zelf zitten er niet zo mee.
Eén argument is dat van biodiversiteit: hoe meer verschillende plant- en diersoorten, deste “beter” (in het midden latend wat “beter” in deze context dan betekent). Maar hier geloof ik niet zo in: een enkele verstopte reuzenpanda of korenwolf levert volgens mij nauwelijks extra biodiversiteit. Een ander argument is dat van de natuurhistorische waarde: de reuzenpanda is zo’n prachtig beest en is onmisbaar voor het beeld van onze wereld. Bovendien is een opgezette panda in Naturalis lang zo leuk niet als eentje die echt bewegen kan.
Dit vind ik een valide argument. En ik me dan ook goed voorstellen dat velen met een dergelijk argument in hun achterhoofd zich sterk maken voor het behoud van de reuzenpanda.
Maar op precies dezelfde manier kan ik begrijpen dat mensen zich sterk maken voor het behoud van het merk Simca. Simca heeft minstens zoveel historische waarde als de reuzenpanda – twintig jaar geleden stond er op iedere hoek van de straat zo’n ding! En bovendien sterft Simca sneller uit. De achterliggende motieven voor het behoud van Simca of reuzenpanda zijn wat mij betreft hetzelfde.
Toch was er afgelopen zondag op de Simca fanclubdag in Lelystad maar een handjevol enthousiastelingen, terwijl het Wereldnatuurfonds alleen al in Nederland meer dan honderduizend leden heeft. Blijkbaar ligt de reuzenpanda beter in de markt dan de Simca – vreemd genoeg.