Gevangenen
Het is Wetenweek. Een week lang weten en wetenschap.
De week begon met een discussie aan de Radbouduniversiteit (die van Nijmegen) tussen een neurowetenschapper en een jurist. Over de vrijheid van onze wil, en of zo’n vrije wil werkelijk bestaat of slechts een verzinsel is.
Een verzinsel natuurlijk. Zoals alle woorden die we gebruiken in de wetenschap verzinsels zijn. Hele nuttige verzinsels die ons helpen om grip te krijgen op de ingewikkelde wereld die ons omringt. Maar daar ging de discussie niet over. Feitelijk ging de discussie over de vraag of onze vrije wil een nuttig verzinsel is, of dat we het beter af kunnen doen als een illusie. Want hoe meer we over het brein te weten komen, hoe meer zijn vrijheid lijkt te verdwijnen. Wellicht dat het moment ooit komt dat we het brein zo goed kennen dat alle vrije keuzes die we denken te maken het resultaat blijken te zijn van een mechanisch breinproces. Was onze vrijheid dan een illusie?
Nee. Omdat we vrijheid ervaren. Zoals de liefde.
Hoe zou u reageren wanneer uw neuroloog op zekere dag vertelt dat u eigenlijk helemaal niet van uw partner houdt, maar dat in plaats daarvan neurotransmitter zus en hersengebied zo aan het werk zijn? U zou uw schouders ophalen: “Ik voel de liefde toch? Dat is wat liefde is.”
Sommige gevangenen denken vrij te zijn, maar zijn dat in werkelijkheid niet. Ze zijn immers gebonden door een stel stenen muren en prikkeldraad. Houden zij zichzelf voor de gek? Nee: vrijheid is namelijk de ervaring van vrijheid.
Wij zijn natuurlijk net zo min vrij. Alleen is onze gevangenis wat groter: een bolletje met een straal van 6.000 kilometer in plaats van een meter of drie. Toch voelen we ons vrij.
Zelfs als toekomstige en alwetende neurowetenschappers tot in de puntjes mijn brein doorgronden en kunnen voorspellen wat voor verhaaltjes ik nu weer zal schrijven, zal mijn ervaring van vrijheid blijven. En dat is wat vrijheid is.